De Kunst van het Ontvangen

 

Voorzichtig

voorzichtig
heb ik de gevangen vogel
uit de strik verlost
ik laat hem vliegen
hij geeft mij vleugels


Willem Hussem uit: Warmte vergt jaren groei (2005)

Hoe je een cadeautje moet ontvangen leren de meeste mensen al in hun kindertijd. Niet zomaar weggrissen uit de handen (of nog erger: de tas) van de gever, niet in een woest gebaar het papiertje er van afscheuren, en niet meteen met het nieuwe speelgoed gaan spelen: ‘Je pakt het rustig aan en uit, en daarna zeg je netjes dankjewel. Ook als je het eigenlijk geen leuk cadeautje vindt. Want de ander heeft er misschien wel veel moeite voor gedaan. En blijf daarbij niet naar het cadeautje zelf staren, maar kijk de gever aan als je iets aardigs zegt.’
Waarom er zoveel regeltjes aan het ontvangen te pas moesten komen begreep je soms pas later, als je zelf een cadeautje aan iemand overhandigde en de ontvanger er onverschillig of slordig mee omging. Het schrijnende was daarbij misschien niet eens dat er geen oprecht bedankje van af kon, maar dat de ontvanger het geschenkje niet op waarde leek te schatten.
In de loop van je leven wordt de omgang met cadeautjes die je op hoogtijdagen mag ontvangen, allengs eenvoudiger. Dankzij ervaring en inzicht heeft het aangeleerde regeltje aan warmte gewonnen en is het is makkelijker om je dankbaarheid op je eigen manier te tonen. Maar dan dient er zich een ander probleem aan: hoe doe je recht aan al die bijzondere, waardevolle, met liefde voor jou uitgekozen cadeaus, lang nadat je de gevers hebt bedankt?
Wie zijn eigen kamer rondkijkt, zal misschien wel twee, drie ooit met plezier ontvangen geschenkjes kunnen aanwijzen die er nog steeds op wachten om gelezen, bekeken, bewonderd, geproefd, gedragen of gebruikt te worden.
Maar stel je voor dat je iets beschadigt. Dat het gaat slijten, beduimeld raakt, dat je het verliest of eigenlijk toch niet zo geweldig vindt als je destijds dacht…
Je zou een museum kunnen inrichten met al die lieve, mooie gestes waar de ontvangers niets mee durfden te doen. Een droevige gedachte. De keerzijde van vernieling uit verveling: behoudzucht uit een teveel aan dankbare bewondering.

In het vorige jaarverslag van de Iona Stichting was het thema Humor, het spel rond het gouden midden. Die humor is gebleven. Net als de aandacht voor het steeds weer zoeken naar het midden - naar het juiste, beweeglijke, speelse evenwicht tussen twee of meer polen of extremiteiten. Dit zoeken heeft veel gemeen met de kunst van het ontvangen.
Anders dan voor het ontvangen van (verjaars)geschenken, liggen er voor het ontvangen van onverwachtse, spontane gaven geen spelregels klaar. In balsporten zoals basketbal en handbal zie je dit terug. Een goede, gerichte, ‘gouden’ worp kan iemand
misschien nog wel aanleren door veel te trainen. Maar de vanger kan niet met open armen op een tactische positie in het veld gaan staan, wachtend tot de bal in zijn handen zal belanden. Op en rondom de ingenomen plek moet hij in beweging blijven, de blik gericht op degene die de bal voor even bezit. Welke richting zal er voor de worp worden gekozen? Hoe hoog zal de boog zijn die de bal straks beschrijft, of gaat hij in een rechte lijn naar voren? Staat er wind? Zijn er andere spelers in het veld die deze bal beter kunnen vangen en zo ja, hoe bied ik die dan ruimte?
Als een speler denkt dat hij de bal kan vangen, zal hij deze soms nog voordat deze de daling heeft ingezet ‘uit de lucht plukken’ – of toch nog missen. Dat maakt vangen tot een enerverende, spannende activiteit.
Er hangt veel af van de eigen wakkerheid, en van de ietwat tegennatuurlijke moed om niet weg te rennen voor het op je af vliegende projectiel, maar het juist
tegemoet te gaan. Daarbij is er ook sprake van een toevalsmoment. Wanneer de bal je ‘toe valt’, en je die hebt kunnen vangen, veert je hart op van vreugde en verbazing: ‘Het is gelukt, ik heb ’em!’
Elementen uit deze vangkunst, opvangkunst, zijn ook nodig bij het ontvangen. Bijvoorbeeld inzicht of inspiratie. Of een ogenblik van onverwachtse, onaangekondigde schoonheid. Van genade. Het hangt in de lucht, maar je moet het wel kunnen zien, horen, en daartoe moet je eigenlijk al veel eerder wakker, open en vooral: onbevangen willen en durven zijn. En dit weer in het volle besef dat een dergelijke houding geen garantie is dat je daadwerkelijk iets zult vangen. Kinderlijk eenvoudig, en tegelijkertijd: een oefening op zich.

Met het woord ‘ontvangen’ is pas op het tweede gezicht iets vreemds aan de hand. Vergelijkbaar met het woord ‘ont-moeten’: het betreft hier, idealiter, een (hernieuwde) kennismaking met een ander, ontdaan of vrij van ‘moeten’. Ontspannen dus. Geïnteresseerd. Met open vizier. Ontwapend en ontwapenend.
Wie ont-vangt, maakt het vangen meteen weer ongedaan. Hij houdt de vangst niet vast, bewaart die niet ‘voor later’, maar geeft het de ruimte. Hoe langer je stilstaat bij dit werkwoord, hoe groter de paradox lijkt te worden. Het gaat hier namelijk niet om niet-vangen, ook niet om vangen en hierna weer loslaten, maar om een vangen dat volkomen ontdaan is van een vangkarakter. En in haar gebaar wellicht zelfs veel meer lijkt op de tegenhanger: geven.
Je kunt deze gelijkenis met geven goed waarnemen wanneer je in een kring met mensen staat die van hun linkerhand een kommetje hebben gemaakt en allemaal een bal in hun rechterhand  houden: ieder van hen legt op het aangegeven moment
de bal behoedzaam in de linkerhand van zijn buurman, en merkt daarbij dat zijn linkerhand ‘als vanzelf’ een andere bal ontvangt. Vervolgens brengt iedereen deze bal in zijn linkerhand naar zijn eigen rechterhand, en dan kan de eerste beweging opnieuw worden voltrokken. Zo ontstaat er een ritme dat door de groep wordt bepaald, en de snelheid kan daarbij eventueel worden opgevoerd. Totdat er iemand dromerig wordt van de cadans, en bijvoorbeeld, vergeet om zijn linkerarm uit te strekken, of totdat iemand teveel over de handelingen gaat nadenken en hierdoor net te vroeg of te laat in actie komt. Het resultaat: er valt een bal op de grond, of iemand in de kring ontdekt dat hij opeens geen bal meer in zijn handen heeft, terwijl een ander er in elke hand één vasthoudt.
Wat dit kringspel (dat vaak in euritmielessen op de Vrijeschool wordt gedaan) zo bijzonder maakt, is de ontdekking, elke keer weer, dat geconcentreerde aandacht bij het geven van de (koperen) bal voldoende is. Je hoeft er alleen maar op te letten dat jouw bal precies in de linkerhand van je rechterbuurman terechtkomt en ondertussen zorgt je linkerbuurman er wel voor dat je in je geopende linkerhand een nieuwe bal ontvangt. Niet alleen het Bijbelse gezegde ‘Laat uw linkerhand niet weten wat u rechterhand  doet,’ wordt hiermee ervaarbaar: je ontdekt ook dat die lege linkerhand elke ronde weer gevuld wordt met iets wat je daarna weer weg kunt schenken.
Natuurlijk wil dit niet zeggen dat het er in de werkelijkheid ook altijd zo speels, simpel en eerlijk aan toe gaat. We leven nu eenmaal niet in veilige kringen, waarin iedereen elkaar precies evenveel geeft – waardoor iedereen ook steeds weer evenveel terugkrijgt.
Iets soortgelijks zien we bij nieuwe initiatieven tot een zogeheten ‘circulaire ecomonie’ waarin dus ook van een grote mate van transparantie sprake is. Echter, een al te gesloten kringloop verhindert tevens dat er creativiteit, groei en (persoonlijke) ontwikkeling mogelijk zijn: immers het aantal ‘ballen’ blijft gelijk. Iedereen is gedwongen op zijn plek te blijven staan en zich te houden aan het ritme. Een dergelijk ‘zelfvoorzienend’ samenleven kan op den duur klakkeloos worden, mechanisch, waardoor geven en ontvangen beide hun waarde verliezen. De handelingen komen dan niet meer voort uit vrije wil, laat staan uit het hart.

Maar wat, als we de vrije wil van ieder individu maar op z’n beloop laten? Blijkt het merendeel van de mensen dan niet vooral uit op nemen, verzamelen, bezitten, (op)sparen en consumeren?
Het is alweer jaren gebruikelijk om de mens te zien als een zelfzuchtig wezen, zonder hierover een negatief waardeoordeel te vellen. Immers, deze aangeboren zelfzuchtigheid kan dusdanig worden ingezet, gestimuleerd en gereguleerd, dat ze de economie ten goede komt. De impuls die er van een stijging van de koopkracht uitgaat is enorm, het ‘welbegrepen eigenbelang’ is geen beladen term meer, en hoewel iedereen er inmiddels ruimschoots van doordrongen is dat groei en expansie niet eindeloos kunnen doorgaan, onderschrijven sommigen stilzwijgend toch nog de pompeuze slogan die zakenman Gordon Gekko (gespeeld door Michael Douglas) uitsprak in de film Wall Street (1987) en die luidde: ‘Greed is good.’
Dit weer tot verbijstering van anderen die, daartoe al dan niet aangespoord door de recente crisis, van mening zijn dat er een einde moet komen aan de hebzucht, aan het consumentisme en in de eerste plaats aan de graaicultuur bij banken en multi-nationals.
Met lede ogen stellen ze vast dat mensen nauwelijks meer in staat zijn om onbaatzuchtig, belangeloos te geven: het moet wel iets ‘opleveren’. Al is het maar de reductie van een vaag schuldgevoel jegens minderbedeelden elders in de wereld. Zelfs als we willen aanvaarden dat mensen over het algemeen beter zijn in nemen dan in geven, dan betekent dit nog steeds niet dat ze daarmee ook goede ontvangers zijn. Degene die neemt bepaalt zelf wat hij neemt, een ontvanger krijgt (misschien) iets, maar kan niet altijd zelf bepalen wat dit zal zijn. Hij is afhankelijk van eventuele schenkers. En hoe weten die wat hij nodig heeft, hoeveel hij nodig heeft, wat hij mooi, leuk of interessant  vindt?
Je kunt het soms al merken bij zowel het krijgen van kritiek als van complimenten: een ongemakkelijke verlegenheid, die haaks staat op de autonome, heldhaftige, vastberaden ‘Ze moeten me maar nemen zoals ik ben!’-houding, waarmee je natuurlijk  pas werkelijk vooruit komt in het leven…
Wie niet het gewenste ontvangt, wie te weinig ontvangt, wie zich onrechtvaardig behandeld voelt kan hierover klagen, maar wie onverwachts iets mag ontvangen wat te groot, te mooi voor hem is, kan heimelijk achterdochtig worden. Wat wil de schenker van me? Denkt hij met zijn gave mijn vriendschap en loyaliteit te kunnen kopen? Verlangt hij op zeker ogenblik toch meer dan alleen mijn dankbaarheid terug? En mocht hij verwachten dat ik zijn gave investeer in één van mijn toekomstplannen, kan ik die verwachtingen dan wel waarmaken? Die onzekerheid kan verlammend werken.
Bij nemen en geven ben ik het zelf die bepaalt. Bij het krijgen, het ontvangen, kom ik hoe dan ook in een relatie terecht die ik misschien niet zelf heb gewild – en daarbij voel ik me kleiner worden, onmondig. Want een gegeven paard kijk je niet in de bek, en je behoort niet te spugen in de bron waaruit je hebt mogen drinken. Wat je als ontvangende partij bij al dit getob kan vergeten, is dat mensen die goed kunnen ontvangen heel hard nodig zijn bij de vorming van een sterke(re) geef-cultuur. Maar als ‘goed’ ontvangen niet te leren is en niet in regels is uit te drukken, hoe doe je het dan?

In het hierboven beschreven kringspel met de bal, dat geen verliezers en winnaars kent, is er iedere keer na de handeling van het gelijktijdig geven en ontvangen
een klein tussenmoment. Een adempauze. Daarin geeft iedere speler de ontvangen bal aan zichzelf.
Zonder dit overgeven van eigen linkerhand naar eigen rechterhand  zou de doorgeef-stroom  onmiddellijk stagneren. Even houdt iedereen de bal dus in beide handen; lang genoeg om de warmte van vorige gever(s) aan de bal gewaar te worden en hieraan eigen afdrukken toe te voegen, kort genoeg om niet te kunnen spreken van vasthouden, van balbezit, van
een ‘vangst’.
Het is precies dit moment dat voorkomt dat het spelletje alleen maar om het doorgeven zelf gaat: je kunt letterlijk een ogenblik stilstaan bij dat wat er wordt doorgegeven.
De vorm, het gewicht en de warmte ervan, de geschiedenis ervan – en in dit wegende stilstaan krijgt het materiële object een betekenis, een waarde. Die je vervolgens dan ook weer betrokken én vrij weg kunt schenken, om ruimte te maken voor dat wat je nieuw in de kom van je lege linkerhand ontvangt.
Misschien is een vruchtbare geef-en-ontvang-cultuur ook wel gebaat bij dergelijke adempauzes. En bij onafhankelijke halteplaatsen, waar schenkers zonder schroom hun gaven brengen, vergezeld van de hoop dat er voor deze gaven mensen worden gevonden die ze met open handen en een open hart willen ontvangen. Niet om dit voor zichzelf te houden, maar om er iets mee te doen, iets mee tot stand te brengen dat zich in de toekomst gul laat delen, uitdelen en wellicht vermenigvuldigen. Tijdens zulke adempauzes en in zulke halteplaatsen ontstaat een vrij ruimte waar- in met aandacht en gevoel kan worden waargenomen welke waarde, welk gewicht, welke geschiedenis en welke intentie en idealen met het geschonkene verbonden zijn. Zoals in een bijlage van het nrc (dec.2014) deze wederkerige relatie tussen ontvangen en geven mooi beschreven werd. Daaruit blijkt dat iedere mecenas, groot of klein, het gevoel kent om te mogen ontvangen, waarbij de wil wordt wakker geroepen om iets terug te doen; uit vrijheid te mogen schenken! Culturele instellingen, zoals bijvoorbeeld musea, zijn vaak ontstaan uit particulier initiatief met een opvoedkundig doel. De mecenas wil hiermee iets van waarde aan de wereld geven.

Wanneer er zich dan een aanvrager meldt die van zijn eigen idealen en noden geen geheim wil maken en de op hem afkomende toekomst tegemoet durft te rennen, niet wetend of hem ook echt iets zal toevallen, maar wel met de wakkerheid en onbevangenheid die daarbij nodig zijn, dan kan de eerder gedane schenking mogelijk doel treffen. Met de nadruk op
‘mogelijk’. Garanties zijn hierbij niet te geven. Ontvangen  is geen ‘cashen’ – maar evenmin: ‘incasseren’. Hooguit moet je met lege handen durven staan, en je tijdelijke kwetsbaarheid en kleinheid daarbij soms aanvaarden.
Niet ontdaan, maar door je telkens opnieuw actief te ontdoen van je behoefte aan houvast.
Wie zo’n ontvanger probeert te zijn geeft gevers een grandioze kans.
Om boven zichzelf uit te stijgen en dat wat voor hen zoveel waarde heeft los te laten, toe te vertrouwen. Wellicht aan jou. Dat kan kracht schenken: je blijkt het waard te zijn, zelfs nog voordat je dit hebt kunnen aantonen. Een afhankelijkheidsrelatie? Integendeel.
In een bewust en vrij ‘ontvangmoment’ als hierboven geschetst, maakt de ander jou een autonoom, verantwoordelijk individu, met toekomstkwaliteiten. Daar
houdt het betonen van dankbaarheid op een aangeleerde plichtpleging te zijn, maar kun je de dankbaarheid met het bestaan met frisse moed gaan léven.



Ignaz Anderson
Désanne van Brederode